Kattenburg/Wittenburg
Klik hier voor plattegrond
De oostelijke eilanden Kattenburg en Wittenburg worden in het westen begrensd door het Marine-Etablissement, in het noorden door de sporenboog, in het oosten door de Wittenburgervaart en in het zuiden door de Nieuwe Vaart. Ze vormen het meest noordwestelijk gelegen deel van de wijk.
Kattenburg en Wittenburg tellen gezamenlijk ca. 4000 inwoners, waarvan 45% van niet-Nederlandse afkomst is. Er staan ca. 2000 woningen, waarvan ongeveer 90% sociale verhuur en 10% eigenaar-bewoners.
Bijna 70% van de woningvoorraad bestaat uit gezinswoningen (3 of 4 of meerkamerwoningen)

- De Oosterkerk op Wittenburg
Met Oostenburg vormen Kattenburg en Wittenburg de drie oostelijke eilanden. Hoewel deze buurten een rijke historie kennen, is daarvan – met uitzondering van het huidige Scheepvaartmuseum en enige monumentale bebouwing langs de Kattenburger- en Wittenburgergracht - helaas weinig bewaard gebleven. Een pronkstuk én herkenningsteken vormt natuurlijk de Oosterkerk op Wittenburg, die onderdak biedt aan een aantal maatschappelijke instellingen, als het wijkcentrum, het ouderenadviesbureau, het maatschappelijk werk en de sociaal raadslieden.
De hoofdverbinding tussen de eilanden wordt gevormd door de aan de zuidgrens ervan lopende “Eilandenboulevard” (Kattenburger- , Wittenburger-, Oostenburgergracht), een drukke verkeersader die de binnenstad verbindt met Amsterdam-Oost. In de laatste decennia hebben enkele nieuwe fiets- en voetgangersbruggen tussen de eilanden gezorgd voor wat verkeersluwere dwarsverbindingen. De Kattenburgerstraat, tussen het Marine-Etablissement en Kattenburg, vormt samen met de Czaar Peterstraat de verbinding met het oostelijk havengebied.

- Vierwindenhuis op Wittenburg
Beide buurten zijn in de afgelopen decennia vrijwel geheel vernieuwd, waarbij Wittenburg stedebouwkundig gezien veruit de meeste.variatie biedt. Hier is ook het architectonisch gezien interessante Vierwindenhuis te vinden. Achter de monumentale geveltjes aan het Kattenburgerplein verbergt zich een grote studentenflat.
Kattenburg en Wittenburg zijn bij uitstek woonbuurten. Er zijn weinig bedrijven te vinden en ook winkels zijn dun gezaaid. De weinige horeca- en winkelvoorzieningen zijn gevestigd langs de Kattenburger-, Wittenburger- en Oostenburgergracht, en rondom het plein achter de Oosterkerk bevindt zich een concentratie van buurtvoorzieningen, als een buurthuis, een gezondheidscentrum en de reeds.genoemde instellingen in de Oosterkerk.
Korte historie
In de periode 1585-1662 heeft Amsterdam een viertal stadsuitbreidingen gekend. Deze waren nodig om de snel toenemende bevolking – de stad groeide in die periode van 30.000 naar 200.000 inwoners – woonruimte te bieden. Daarnaast nam vanwege de economische expansie ook de vraag naar grond voor bedrijven en opslagruimte toe. Met name de scheepsbouw ontwikkelde zich tot een ruimtegebruiker van de eerste orde. De uitbreidingen vonden voor het grootste deel plaats aan de oostkant van de stad, waarbij buitendijks land bij de stad werd ingelijfd, of, zoals het geval met Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg, kunstmatige eilanden in het IJ werden aangelegd. Dat laatste gebeurde in 1654. Op het westelijk deel van Kattenburg vestigde zich de Admiraliteit. Naast scheepswerven en pakhuizen bouwde deze er in 1656 s’ Lands Zeemagazijn (het huidige Scheepvaartmuseum).

- 's Lands Zeemagazijn, het huidige Scheepvaartmuseum.
Drieëneenhalve eeuw later behoort het gebied nog steeds toe aan de erfopvolger van de Admiraliteit, de Koninklijke Marine. De Admiraliteitswerf of ’s Lands Timmerwerf was met zijn vele hellingen, loodsen en werkplaatsen een groot bedrijf. In de loop der jaren gleden hier talloze oorlogsschepen van de helling. De vele arbeiders die daarvoor nodig waren, werden in de buurt van de werf gehuisvest. Ze werd Kattenburg een woonbuurt, zij het een armoedige met smalle straten en dicht opeen staande huizen. Zelfs de kelders werden bewoond. Dat was al helemaal geen pretje, want omdat de nieuwe buurt buiten de zeedijk lag, liepen de huizen bij hoog water vaak onder.
Ook op het naastgelegen Wittenburg bestemde het stadsbestuur de aan het water grenzende delen voor scheepsbouw en het midden van het eiland voor volkswoningbouw. De bebouwing leek op die van Kattenburg: lange, smalle straten met opeengepakte kleine huizen, waarin kinderrrijke gezinnen woonden. In verband met de oostelijke stadsuitbreiding werd rond 1670 op de kop van Wittenburg de Oosterkerk gebouwd.
Eeuwenlang heerste er volop bedrijvigheid op de oostelijke eilanden en de Kadijken, met de vele scheeps- en reparatiewerven als middelpunt. Dat veranderde in de tweede helft van de 19e eeuw, toen met de komst van de stoomschepen steeds meer havenactiviteiten naar deze buurt werden verplaatst. De Nieuwe Vaart werd bestemd tot het havenbekken voor alle grote schepen en de werven maakten snel plaats voor pakhuizen met laad- en losfaciliteiten. De sociale gevolgen hiervan waren ingrijpend. Naast een sterke bevolkingsgroei veranderde ook het soort bewoners. Geschoolde arbeiders maakten plaats voor losse sjouwerslieden, voor een groot deel aangetrokken van buiten Amsterdam. Zij woonden met velen in kleine armoedige woningen, die in een doolhof van dichtbebouwde, straten, sloppen en dwarsstraten stonden. Vaak was er geen werk en derhalve geen brood op de plank. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de sociale onrust groeide en uiteindelijk in 1869 tot uitbarsting kwam in de eerste georganiseerde werkstaking van ons land. Er zouden er nog vele volgen. Een staking bij het kadebedrijf van de KNSM in 1900 bijvoorbeeld was voor dat bedrijf aanleiding zijn vestigingen “midden in de volksbuurt Kattenburg” wat later te verplaatsen naar het verderop gelegen oostelijk havengebied.

- Zeelieden- en havenstaking op Kattenburg in 1911
De eilanden speelden een belangrijke rol in de twee spoorwegstakingen van 1903. De Zeeliedenstaking in 1911, waar de bootwerkers zich bij aansloten, legde de hele haven plat en liep op Kattenburg uit op een bloedige confrontatie met leger en politie, de zogenaamde “bloednacht van Kattenburg”. Ook bij het Aardappeloproer van 1917 stonden de eilanden weer op hun kop en moest de politie opnieuw hard ingrijpen.
Tussen de twee wereldoorlogen kwam er nauwelijks verbetering in de woon- en werkomstandigheden op de eilanden. De werkloosheid nam verder toe door het verdwijnen van de scheepsbouw naar Amsterdam-Noord en de havenactiviteiten naar het oostelijk havengebied. Ondanks een plan daartoe kwam ook van sanering en krotopruiming weinig terecht. Pas ruim na de Tweede Wereldoorlog zou Kattenburg en Wittenburg nieuw leven worden ingeblazen.

- Kattenburg (links) in 1972 vrijwel gesloopt
Recente ontwikkelingen
Geen enkele buurt in Amsterdam is zo rigoureus gesaneerd als Kattenburg. In de 60-er jaren van de vorige eeuw besloot de gemeente tot volledige sloop van de oude bebouwing en nieuwbouw volgens een tuinstadidee. De kaalslag van Kattenburg en het gemeentelijk voornemen de gehele 19e-eeuwse gordel op die manier te vernieuwen, stuitte in veel van die buurten op hevige weerstand.
Het Kattenburgmodel is dan ook niet herhaald; in plaats daarvan kwam het concept “bouwen voor de buurt”, waarbij via een gefaseerde aanpak bewoners de gelegenheid kregen door te schuiven naar nieuwbouw in eigen buurt. Wat betreft Kattenburg bleek de buurtgebondenheid zo groot, dat veel bewoners na een jarenlang verblijf elders toch weer terugkeerden op het oude nest.
Doordat Wittenburg in de laatste drie decennia gefaseerd is vernieuwd, is de woonbebouwing in vergelijking tot Kattenburg gevarieerder en is tenminste in het stratenpatroon nog iets van de oude structuur te herkennen. Overigens is ook Wittenburg op enkele uitzonderingen na geheel vernieuwd. Enkel rondom de Oosterkerk en achter op het eiland staat nog wat oorspronkelijke bebouwing.
Problemen
Het gebrek aan voorzieningen, en dan met name winkels, wordt op de oostelijke eilanden als grootste probleem ervaren. Hoewel het een binnenstadsbuurt is zijn de bewoners voor zaken als een postkantoor, een bank, een bakker of een drogist aangewezen op omliggende buurten. Een ander probleem dat vooral op Wittenburg van tijd tot tijd de kop opsteekt is dat van overlast door hangjongeren.
